Comparative Constitutional Law, Democracy, Dutch Politics, Law and Religion, Public Theology, Religion and Politics, University, Whither Europe?

Mens, maatschappij, staat en wereld: hoe een handboek publiekrecht te schrijven

Albrecht Dürer’s Hercules at the Crossroads (1498): Hercules and Virtue on the right attack Vice who reclines with a satyr on the left.”

Afgelopen zomer las ik het nieuwe boek van mijn Leidse collega, de rechtsfilosoof Andreas Kinneging. Het boek is een verdediging van, en tegelijk een inleiding tot, het denken van de Ouden. Daarmee richt het zich, zoals Kinneging in het voorwoord uitlegt, tot lezers die twijfelen aan de tijdgeest, die vermoeden dat de moderne keizer geen kleren aan heeft.

Het motto van de inleiding, ‘De weg voorwaarts is de weg terug’, vat daarmee direct goed de teneur van het boek samen. De auteur wijst erop dat dit niet is omdat vroeger alles beter was. Zoveel is de menselijke conditie tenslotte niet veranderd. Wel kunnen wij, juist daardoor, leren van hoe de knapste geesten door de tijd heen manieren hebben gezocht en gevonden om daarmee om te gaan.

Dat is des te noodzakelijker doordat we op dit moment behoorlijk dreigen vast te lopen. In een verhelderend eerste deel typeert de auteur de huidige situatie er als een van verwarring. Er is enerzijds sprake van een geradicaliseerd individualistisch liberalisme, dat afwijkende opvattingen steeds minder tolereert. De woke-ideologie is hier een exponent van.

De auteur schrikt er niet voor terug om het beeld van een DDR 2.0 in aanbouw te gebruiken, het schrikbeeld dus van het ontstaan van een zacht-totalitaire staat en samenlevingsvorm in het (voorheen) vrije westen. In reactie daarop neemt ook het verzet tegen dergelijke denkbeelden geleidelijk radicalere vormen aan, met als gevolg een verlammende polarisatie.

Aangezien het primair een rechtsfilosofische tekst betreft, gaat de auteur in het vervolg van het eerste deel van zijn boek op zoek naar de bron van alle moderne verwarring en vindt deze in de Verlichting enerzijds en de Romantiek anderzijds. In de delen II, III, IV en V staan vervolgens de ideeën van de Ouden centraal. Deze delen zijn respectievelijk gewijd aan de mens, de samenleving, de staat en de wereld.

Het is deze indeling die het boek tevens zo geschikt maakt als een gevorderde inleiding tot het publiekrecht. Hoe vaak worden in de gangbare tekstboeken immers niet de eerste twee stappen van mens en maatschappij overgeslagen, om direct over te gaan tot een behandeling van de staat en de internationale rechtsorde.[1]

Kennelijk is de veronderstelling daarbij dat een dergelijke shortcut mogelijk is zonder ons eerst af te vragen wie de mens eigenlijk precies is, ten bate van wie de staat als het goed is uiteindelijk toch wordt op- en ingericht. Een andere mogelijkheid is dat dergelijke auteurs het door hen gehanteerde moderne mensbeeld als zo vanzelfsprekend beschouwen, dat dat welbeschouwd geen nadere toelichting meer behoeft.

Dat zou ook verklaren waarom eveneens wordt voorbijgegaan aan de samenleving, want daarvoor is nauwelijks of geen plaats in het geradicaliseerde individualistische liberalisme. Het laat zich raden dat het gebouw van de staat, en dat van de internationale rechtsorde, op deze wijze niet anders dan op zand in plaats van op rots kan worden gebouwd.

In schril contrast hiermee schetst Kinneging de mens als ‘geneigd tot alle kwaad’ (p. 128). Dit is immers, volgens de Europese Traditie, ‘de werkelijke menselijke conditie’ (p. 144). Hieraan ontleent het boek ook zijn titel, Hercules op de tweesprong. Hercules staat daarbij voor elke mens, die voortdurend voor de keuze staat om het goede dan wel het kwade te doen. Hij zal dagelijks strijd moeten leveren om de juiste keuze te maken en telkens weer de fout in gaan.

Wat eruit springt in het deel over de samenleving, is de behandeling van het begrip ‘gemeenschap’. Kinneging onderscheidt daarbij tussen de familie, de religieuze gemeenschap en de verenigingen die zijn opgericht voor bijvoorbeeld charitatieve, politieke of sportieve doeleinden.

Het boeiende van deze wijze van presentatie is dat het vrij eenvoudig valt in te zien dat alle drie in onze tijd aan erosie onderhevig zijn. Het gevolg daarvan is dat alleen de markt en de staat overblijven. Deze zijn echter op wezenlijk andere uitgangspunten gebaseerd en kunnen daarmee de gemeenschappen niet vervangen. Niet voor niets liggen de velden rijp om te oogsten voor stromingen die zich baseren op vormen van gemeenschapsdenken.

Tot welke conclusies leiden de analyses over mens en maatschappij voor democratie en rechtsstaat in deel IV? Geen al te rooskleurige. De titels van de betreffende hoofdstukken zeggen al voldoende: ‘Problemen der democratie’ en ‘De toekomst van de Nederlandse rechtsstaat’. Dat behoeft wat democratie betreft geen verwondering te wekken. De klassieke, Griekse en Romeinse, visie op de democratie was immers zelf al een afwijzende.

De Amerikaanse Founders probeerden de risico’s ervan te verkleinen door zich te baseren op de eveneens klassieke idee van het gemengd bestel (regimen mixtum). Kinneging voelt zich thuis bij de benadering van Tocqueville, voor zover deze desondanks oog hield voor zowel de goede als de kwade kanten van democratie en gelijkheid. Tocqueville was geen ‘determinist’, maar wel ‘pessimistisch’ (p. 202).

Wat de rechtsstaat betreft, volgt Kinneging een interessante benadering. In plaats van te pogen de toekomst te voorspellen, formuleert hij enkele voorwaarden waaraan zal moeten worden voldaan, wil deze in de toekomst behouden kunnen blijven. Het voert te ver die hier allemaal langs te lopen.

Zijn eigen voorlopige conclusie is dat de perspectieven ‘niet erg hoopgevend’ zijn (p. 351), al laat hij ook hier de mogelijkheid open dat bepaalde trends in de toekomst omgebogen zouden kunnen worden. Veelzeggend in dit verband is echter onder meer het hoofdstuk over ‘Publiek ambt en morele vorming’, waarin duidelijk het verschil naar voren komt met wat tegenwoordig onder burgerschapsonderwijs wordt verstaan.

Het feit dat andere inleidingen meestal tot optimistischer diagnoses komen, valt te herleiden tot het zich niet of onvoldoende rekenschap geven van het belang van bezinning op de menselijke conditie en van de samenleving. Dan kan al snel de indruk rijzen dat enig sleutelen aan het staatsbestel de oplossing zal bieden, voor zover er al problemen zouden zijn.

Op het gebied van constitutionele ontwerpkunst zijn wel de nodige suggesties mogelijk, en zoals Kinneging laat zien zelfs hele goede, maar dan alleen voor zover deze gebaseerd zijn op een deugdelijke mens- en maatschappijvisie. Bovenal bepleit hij ter verbetering van het functioneren van de democratie echter toch een cultuuromslag (p. 331). Ook voor het behoud van de rechtsstaat, vormt een rechtsstatelijke cultuur met afstand de voornaamste voorwaarde (p. 342).

Uit het vierde deel moet het hoofdstuk over kerk en staat nog worden genoemd, dat tot de helderste behoort die ik over dit onderwerp ken. In het vijfde deel verdient het hoofdstuk over soevereiniteit bijzondere vermelding. Het betreft een van de grote vragen van deze tijd, waarmee de mainstream publiekrechtsbeoefening geen kant op kan. Wie dit fundamentele hoofdstuk op zich laat inwerken, begrijpt maar al te goed waarom dat zo is.

Valt er dan niets op het boek aan te merken? Een kritiekpunt zou kunnen zijn dat het enigszins van een klassiek-liberale opvatting van de staat getuigt. Volgens de auteur is deze vooral gericht op ‘bescherming’ en ‘veiligheid’ (p. 225). Niemand zal ontkennen dat dat belangrijke zaken zijn.

Niettemin wordt bijvoorbeeld in het werk van N.W. Barber het doel, en daarmee het punt, van de staat op een rijkere, Aristotelische wijze gedefinieerd als de bevordering van ‘the well-being of its members’ (p. 10). Kinneging is daar als geen ander mee bekend en laat de term ‘algemeen belang’ (bonum commune) ook regelmatig vallen (bijvoorbeeld p. 343, 372). Toch gaat hij duidelijk niet zo ver als Barber.

Het zou interessant zijn geweest als hij het potentiële spanningsveld tussen ‘limited government’ en algemeen belang expliciet had gethematiseerd. Dit mede in het licht van zijn eigen constatering dat ‘de status van het algemeen belang (…) waarschijnlijk nog nooit zo laag is geweest’ (p. 374).


[1] Kinneging wijdt het vijfde deel hoofdzakelijk aan het natuurrecht, maar dit zou een afzonderlijke bespreking vergen en het hoofdstuk over soevereiniteit biedt ook een mogelijkheid om het verband te leggen met het internationale publiekrecht.

Leave a comment

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.